Komt te voet en gaat te paard: vertrouwen in het onderwijs.

Vorige week, op maandag 7 december, was ik op De Haagse Hogeschool bij een door de OECD georganiseerde internationale conferentie over vertrouwen in het onderwijs. Het gaat daarbij over vertrouwen in individuen (zoals leraren of schoolleiders), in scholen als organisaties en in het onderwijssysteem als geheel. De OECD verzamelde zogenaamde “trust-briefs”, verhalen uit tot dusver elf verschillende landen over onderwijshervormingen die een antwoord waren op een vertrouwenscrisis. Naar aanleiding van de inzichten uit deze verhalen was een eendaagse conferentie georganiseerd met interessante lezingen* en workshops.

Het onderwerp vertrouwen in relatie tot het onderwijs is fascinerend. Hoe bouwen we vertrouwen in onze docenten en degenen die ons onderwijs besturen, en wanneer gaat dat mis? En welke consequenties heeft dit als er geen of te weinig vertrouwen is? Waarom hadden bijna alle hogescholen er last van toen er een stevige vertrouwenscrisis ontstond naar aanleiding van een casus rond een afstudeertraject bij een opleiding van INHolland? En waarom wordt een fraudezaak in de wetenschap veeleer de individuele wetenschapper aangerekend, terwijl die (gelukkig) nauwelijks leidt tot een breder effect op het vertrouwen in de wetenschap**? Vertrouwen is een behoorlijk ongrijpbaar onderwerp, dat om een heel kwalitatieve onderzoeksaanpak vraagt.

Ik deel hier graag enkele van de inzichten van de OECD conferentie***. Verlies van vertrouwen kan met een grote klap gaan door een schandaal. Daar verwijst onze Nederlandse uitdrukking “komt te voet en gaat te paard” naar. Maar veel vaker erodeert vertrouwen in smalle subtiele stapjes, door kleine teleurstellingen en doordat verwachtingen keer op keer niet worden waargemaakt. In tijden van veranderingen of hervormingen is het risico op minder vertrouwen extra groot en dat maakt in zulke periodes het investeren in consensus en betrokkenheid van verschillende belanghebbenden extra belangrijk.

Vertrouwen is niet altijd alleen maar goed. Een persoon of instelling kan ook te goed van vertrouwen zijn. Vertrouwen kan ook negatieve consequenties hebben. En bovendien is vertrouwen niet iets wat er helemaal wel of helemaal niet is, maar is er sprake van een schaal van meer en minder vertrouwen. Soms is een zeker wantrouwen goed en belangrijk. Kennelijk is er in iedere situatie een optimaal niveau van vertrouwen tussen mensen, groepen of instellingen. Hoeveel vertrouwen goed is, is afhankelijk van de context. Uit het OECD onderzoek in de verschillende landen werd duidelijk dat een grote ontevredenheid, een gebrekkige consultatie of communicatie en onduidelijke verwachtingen van de effecten van bepaalde maatregelen de meest voorkomende oorzaken waren van een vertrouwenscrisis in het onderwijs. Bij het herstel van vertrouwen speelden betere communicatie, het betrekken van belanghebbenden, en een grotere autonomie van scholen een belangrijke rol. Best logisch eigenlijk, maar in de uitvoering kennelijk vaak moeilijk. Vertrouwen in het onderwijs is iets om zuinig op te zijn, en daarom is inzicht in hoe vertrouwen in het onderwijs werkt ongelofelijk belangrijk.

16 december 2015

 

* De key-note Trust, Social Capital and Human Capital van Bo Rothstein van de University of Gothenburg, was bijvoorbeeld een zeer interessant en inspirerend verhaal.

** Hoewel de sociale psychologie als discipline natuurlijk ook wel een optater heeft gehad van de fraude die Diederik Stapel bleek te plegen.

*** zie ook http://www.oecd.org/edu/ceri/governingcomplexeducationsystemsgces.htm voor informatie over het OECD/CERI Governing Complex Education Systems project, waar deze conferentie onderdeel van was; en het nog te publiceren achtergrondstuk voor de conferentie Trust and Education van Lucie Cerna.